
Afgelopen week mocht ik de weidsheid, niksheid en leegheid van de woestijn op mijn eigen huid ervaren. Als je iets nog nooit hebt meegemaakt, maakt je geest van tevoren allerlei voorstellingen van hoe het zou zijn. Heel handig, want het hielp me bij het meenemen van functionele kleding en andere nodige spullen. En toch: voorstellingen zijn alleen maar voorstellingen, en niet de echte ervaring.
Wat me overviel, was hoe zacht de woestijn was in de afwezigheid van zoveel dingen: bomen, gras, huizen, aarde, enzovoort. In de kaalheid van alles. Het zand vormde zich met de wind telkens weer tot kleine golfjes op de duinen. De duinen zelf waren zachte, vloeiende vormen. In die leegheid zag ik geen ‘ding’ meer, geen ‘duin’ meer, maar alleen de kwaliteit van zachtheid in de vorm.
Het zijn in de woestijn was ook pittig. De omstandigheden veranderden heel snel: van koud naar bloedheet, van warm naar snijdende kou. Van zandstorm tot stilstaande lucht, van licht naar donker. Je kon niet blijven vasthouden aan “zo is het”; het vroeg constante aandacht om te blijven aanvoelen: wat was er nodig? Het vroeg voortdurend opmerken. En daarin vond ik ook zachtheid. Het was het steeds loslaten van de geestelijke voorstellingen over hoe het zou moeten zijn, en alleen maar opmerken hoe het op dat moment was. Open aandacht voor alles wat er was, zonder te blijven hangen bij iets waar je aandacht vernauwde.
Met deze zachtheid in onszelf oefenen we deze week in de les. Enerzijds door eenvoudig de zachtheid van je ademhaling in je lichaam te voelen — hoe de adem vanzelf beweegt — en anderzijds door steeds op te merken wanneer onze geest aan een of andere voorstelling blijft hangen. Dan maken we onze aandacht weer breder: we merken onze ademhaling op en voelen de houding van ons lichaam. Niet om de geestelijke voorstellingen te onderdrukken, maar om ze te laten komen wanneer ze komen — zonder erin te blijven hangen.
Dat steeds opmerken en daarbij laten, spelen met je aandacht, is zachtheid.