
Gisteren ben ik een korte VPRO Tegenlicht-video tegengekomen over dopamine: de stof in ons lijf die ons een goed gevoel geeft en ons motiveert om iets te doen. Maar daar ging het filmpje eigenlijk niet over. Er werd juist duidelijk gemaakt hoe dit natuurlijke systeem ons ook in moeilijkheden kan brengen: als iets goed voelt, willen we er meer van, en steeds meer. En hoe meer we willen en krijgen, hoe minder goed gevoel het oplevert en hoe sterker het verlangen wordt. Dit heeft te maken met het aanpassingsvermogen van ons lichaam. We worden zo slaven van onze eigen behoeften.
Als mogelijke oplossing werd genoemd om een detox te doen: tijdelijk volledig afzien van datgene waarvan je zo afhankelijk bent geworden. Dan kan het lichaam zichzelf weer in balans brengen. Je lichaam leert dat je de pijn van het niet hebben van iets wat fijn voelt ook aankunt.
Wat heeft dit met yin yoga te maken? Alles. In yin-houdingen zoeken we het discomfort op. Vanuit overleving zijn we altijd op zoek naar comfort. Daar is niets mis mee – dat is het plezier, the joy of life. Maar we kunnen daarin verstrikt raken, waardoor we eigenlijk voortdurend bezig zijn om discomfort niet meer te willen voelen. In yin-houdingen oefenen we daarom telkens weer met dat ‘detoxen’, met het afzien. We kiezen ervoor om in de houding te blijven – waar een zekere mate van lichamelijke stress wordt opgeroepen – met het vertrouwen dat we het aankunnen. We leren bij onszelf voelen en bewegen tussen ‘te veel’ en ‘te weinig’.
Ons lichaam leert dat we stress, ongemak of zelfs pijn aankunnen. We leren soepeler omgaan met ongemak, dat ook bij het leven hoort. Elk fijn moment houdt immers ook weer op. Zo hoeven we het niet automatisch weg te poetsen om ervan af te komen, of alles te doen om het opnieuw zo fijn te beleven, maar kunnen we bewuster kiezen wat er in het moment nodig is.
Waarom gaan we als mensen eigenlijk soms door met dat ‘meer’, ‘meer’, ‘meer’?
“Wie weet wat genoeg is, heeft genoeg.”
Deze week oefenen we in de les met (innerlijke) vriendelijkheid. Hoe kunnen we het ongemak in ons lichaam innerlijk dragen en vriendelijk zijn voor onszelf? Niet omdat het ongemak weg moet, maar om te leren voelen en kiezen wat er nodig is.
Wie het filmpje wil kijken, zie hier:
Ik heb het altijd een beetje raar gevonden, dat begin van een nieuw jaar. De raarheid zit voor mij in het onnatuurlijke ervan: dat we zomaar één dag kiezen waarop het ene voorbij is en het andere begint. Een mensgemaakt ‘cut-offpunt’. Het voelt voor mij natuurlijker dat het ene overgaat in het andere. Overgaat als beweging, zonder een harde grens.
De winter voelt voor mij überhaupt meer als een tijd van verstilling. Het is kouder, donkerder, en mijn aandacht keert automatisch meer naar binnen. Tijd om te reflecteren: hoe was de afgelopen tijd, hoe heb ik het ervaren? Hoe verder? Waar heb ik behoefte aan en wat wil er nu geboren worden? Een heleboel vragen komen dan bij mij op, waarbij het in essentie eigenlijk over één ding gaat: stilstaan bij dat wat is geweest om zo ruimte te maken voor wat er komt.
In onze maatschappij wordt het stellen van doelen of het maken van voornemens ook op prijs gesteld. Maar dat dan gelijk in januari, en dan snel aan de slag. Maar wat als hier echt wat meer tijd voor nodig is, om het inzicht in het nieuwe geboren te laten worden? Dat het eerst even mag sudderen ergens in ons, voordat het een concrete vorm krijgt. In zen wordt gezegd: elke lotusbloem groeit uit de modder. De periode tussen iets ouds en iets nieuws, waar nog niets concreets is: een modderperiode.
Deze periode waarin een einde ergens overgaat in een begin, maar waar niet concreet aan te wijzen valt waar precies. Waar je niet kunt zeggen: over twee minuten is het over en dan begint het. Want waar begint een verandering precies, en waar eindigt die?
Deze week oefenen we in de les met begin en einde. Oefenen in het waarnemen hoe onze geest graag wil vastgrijpen en er een concreet begin en einde van wil maken. Soms is dat ook heel handig. Maar niet altijd, zeker niet als het op automatische piloot gebeurt en we niet meer zien dat een begin ook een einde is, en een einde een begin. Dat we onszelf de ontdekkingsruimte niet meer gunnen. Ontdekkingsruimte waarin niets hoeft te gebeuren, waarin dingen mogen verschijnen.
Dat is een eenvoudige oefening in yin-houdingen: opmerken hoe zelfs onze ademhaling een begin en een einde heeft, en tegelijkertijd ook weer niet. Dat we er met onze geest een begin en einde van maken, terwijl we het in ons lijf kunnen voelen als een. Een constante beweging zonder begin en einde, waarin begin einde is en einde een begin. Zo laten we los van de grijpbeweging van onze geest, en komt er meer innerlijke ruimte waarin nieuwe dingen van binnenuit vanzelf kunnen ontstaan.
Ik zie je weer graag in de les!
Heb je het druk? Hoe weet je het dat je het druk hebt? En hoe weet je het dat het niet druk is? Is het lekker druk of vervelend druk?
Om te weten hoe “druk” voelt kan alleen als je ook rust hebt ervaren.
Ga eens na bij jezelf: Hoe herken je echte rust bij jezelf?
Wat is er allemaal aanwezig of afwezig als jij rust ervaart bij jezelf? Is er iets buiten jezelf nodig? Natuur, lekker muziekje, kampvuur, bad, ‘klus’ afmaken, dansen, schilderen, met vrienden zijn… wat het dan ook is. Ben je bewust welke omstandigheden je nodig hebt om rust te ervaren? En wat gebeurt er als de omstandigheden wegvallen? Blijf je rust ervaren en voor hoelang? Wat gebeurt er als de rust verdwijnt?
Soms vraag ik als zenleraar in de eerste meditatieles aan cursisten wat ‘Zen’ voor ze betekent. “Ultieme rust gevoel” wordt vaak benoemd. Dat is dan ook paradoxaal dat op een moment dat men stil gaat zitten op de meditatiekussen, er juist onrust opkomt. Heleboel gedachten, lijf die liever toch een kleine beweging wil maken, gedachten die daar weer iets van vinden, wat weer stilzitten nog lastiger maakt. Je verlangt naar rust maar er is alleen onrust. Nu heb je een keuze – blijf je in gevecht met jezelf of neem je het zoals het is.
Dat is de kern van zen. Elke moment waarnemen zoals het is. Het verandert, en nu is het weer anders. Dit is het. Dat bij jezelf kunnen waarnemen, gedachten en gevoelens, wat er bij je gebeurt. Als je zen meditatie beoefent, leer je in eerste instantie waarnemen hoe je je eigen “drukte” opbouwt. Welke gedachten weer terugkeren, hoe je daarbij voelt, welke neigingen je hebt om daarmee iets te doen. Van welke gedachten hou je graag vast. Verdiepende onderzoek, bijvoorbeeld in coaching, kan je helpen jezelf beter te begrijpen welke dieperliggende motivatie er schuil ligt – wat je onbewust probeert te bereiken. Wat je echte behoefte is, wat je echt wilt.
Zen gaat ervan uit dat je niet hoeft te veranderen. Je hoeft je gedachten niet omdraaien om naar de positieve kant te kijken om je beter te voelen of je doelen te halen. In zen oefen je met je onrust te zijn. Het hard werken om het anders te laten zijn dan het is, is dan niet meer nodig. Paradoxaal genoeg, je verandert dan van zelf. Je kan andere perspectieven, mogelijkheden, oplossingen zien. Je wordt creatiever. Je kan vrij kiezen wat er nodig is, in plaats van dat er iets moet gebeuren. Door niet naar de zonnige kant moeten zoeken, maar met de andere kant leren zijn, wordt het vanzelf zonnig.
Hoe meer je leert zijn met je gedachten en gevoelens waar je juist (onbewust) weg van wilt, hoe meer rust je in jezelf ervaart. Ook zonder externe omstandigheden. Of juist in het midden van drukke omstandigheden.